‘Geloof jij in de duivel?’ vroeg hij me. ‘Ik geloof in God’ antwoordde ik snel, om van de lastige vraag af te zijn. Want daarmee is niet alles gezegd natuurlijk. Ik weet nog steeds of ik wel in het bestaan van de duivel kan geloven. Toch helpt het idee dat er zoiets is als ‘het kwade’ me wel als ik kwaad ben. Op mezelf of op een ander.
Ik preek nooit over de duivel. Van een beroemde theoloog heb ik meegekregen dat hij in zijn dikke boeken in totaal maar anderhalve bladzijde aan de duivel wijdde. Gevraagd naar de reden daarvoor, zo gaat het verhaal, zou hij hebben gezegd: ‘Meer is hij niet waard.’ En zo is het.
Waarom dan toch een column? Omdat het idee dat er zoiets als het kwade bestaat me wel helpt. Als mensen elkaar iets kwaads aandoen, of als ik enorm kwaad ben op wat iemand mij heeft aangedaan, of als ik mezelf schaam om kwaadwillende gedachten in mijzelf, is dat dan alleen iets van mij? Ben ík slecht?
‘Je bent ook maar een mens’ zeggen we dan gauw. Klopt, ik ben niet perfect. Maar ik ben ook niet máár een mens. God was blij, vertelt de Bijbel, toen Hij de mens gemaakt had. Hij was blij met de hele schepping. En met de mens was het compleet. ‘Hij zag dat het zeer goed was.’ Zeer goed zelfs. Niet om ons over op de borst te kloppen. Alle hulde aan de Maker.
In al dat goede sloop iets slechts, iets duivels. Geen idee waarom, geen idee hoe. Wij mensen zijn blijkbaar in staat om elkaar de meest verschrikkelijke dingen aan te doen. En dagelijks doen we elkaar pijn. Dat drijft ons uit elkaar. Niet alleen in oorlogen, ook in families, in de straat waar je woont, op je werk, in je vereniging of in je kerk. ‘Dat komt nooit meer goed’ zeggen we dan, en we proberen erin te berusten. Al blijft het vaak steken. Zo hoort het niet. Zo moet het niet zijn.
En precies dan kan ik iets met die duivel. Of althans, met dat idee dat er zoiets is als ‘het kwade’. Een woestijnmoeder, zoals de vroegste kloosterlingen heetten, schreef: ‘Waarom haat u degene die u gekrenkt heeft? Niet hij is de boosdoener, maar de duivel. Haat de ziekte, niet de zieke.’ Oude taal, waar je even van moet voelen wat ze bedoelt.
Als ik kwaad ben op wat iemand heeft gedaan, kan het helpen te onderscheiden tussen wat iemand heeft gedaan en die mens zelf. Ja, het was niet goed wat iemand deed, maar is die mens dan ook meteen niet goed? Nee, natuurlijk niet, ‘hij heeft ook zijn goede kanten’. Dat vind ik te weinig. Die andere mens is in de basis goed. Jij ook, ik ook. Maar het kwade krijgt ook wel eens vat op mij. Dan doe ik het niet goed. Maar door te onderscheiden tussen wat ik aan kwaads doe en wie ik ben, blijf ik wel overeind. Ik ben nog steeds een goed mens. En zo is iemand die mij iets kwaads doet dat ook.
Betekent dat dat iemand niet meer verantwoordelijk is voor wat hij doet? ‘Ach, dat is de duivel of het kwade in ons.’ Zeker niet! Ik weet nog steeds niet hoe je over dat kwade moet denken, hoe dat kan bestaan. Maar het idee dat dat kwade meer is dan wat wijzelf doen, helpt me om juist verantwoordelijkheid te nemen. Tegenover mezelf te zeggen: zo ben ik niet! Je moet en kunt anders! En over anderen te denken: zo is die mens niet.
Het idee van een duivel is geen verzachtende omstandigheid. Het maakt ons juist verantwoordelijk. Voor onszelf, en voor hoe we over een ander denken. Het kán anders. We zíjn anders. Goed, zeer goed. Jij, ik, wij allemaal. Laten we dat dan maar eens aan elkaar zien, en in elkaar geloven.
Otto Grevink is dominee in De Langstraat en verbonden aan Pioniersplek Zin op School. Reacties zijn welkom op ottogrevink@gmail.com.
