Alaaf, Turfstekers en Turfstekerinnekes! Hebben jullie je ook weleens afgevraagd hoe ons mooie Kaatsheuvel veranderde in Turfstekerslaand? Wat was er eigenlijk eerder: de prinsensteek of de prins? En wie gingen onze huidige Prins Rob voor in de rijke historie van Turfstekerslaand? Stichting Optocht Turfstekerslaand duikt samen met Heemkundekring de Ketsheuvel de archieven in. Niemand minder dan groot carnavalsliefhebber én bestuurslid van de Heemkundekring, Kees Grootswagers, neemt ons mee op een nostalgische reis door de tijd. In deze artikelen ontrafelen we de wortels van ons feest. Pak een pilske of ranja en een worstebrooike, trekt oe Turfstekerssjaal aan, ga er goed voor zitten en herbeleef de historie van carnaval in Turfstekerslaand in dit eerste artikel!

Wie op zoek gaat naar de geschiedenis van het carnaval in Turfstekerslaand komt al snel tot de conclusie dat er weinig over is gepubliceerd. Een reden temeer om eens in de archieven te duiken en dit nader te onderzoeken. In vroege tijden, toen de adel nog veel privileges had, maar ook aan een bepaalde etiquette was gehouden, toen de kloof tussen het volk en de hogere standen nog groot was, was de carnavalstijd de enige tijd die maakte dat iedereen zich gelijk voelde. Voorafgaand aan de Vastentijd werd er volop feest gevierd. Dat carnaval was in die tijd zeker niet het volksfeest wat we nu kennen. In Kaatsheuvel moest er hard gewerkt worden in de schoenindustrie en er was niet veel geld voor feesten, laat staan voor een optocht. Optochten vonden vanaf het eind van de 19e eeuw plaatsen in de steden, zoals ’s-Hertogenbosch en Breda, maar ook in Vlijmen vonden er al vroeg carnavalsoptochten plaats. Het carnaval vieren beperkte zich in die tijd tot het zingen van liedjes. Het carnavalsliedje van de schoenmakers uit die tijd luidde volgens het 'Liederboeck der Scoenmaekers' als volgt:

Wegh met pekdraad, els ende leeste,

Want het is carnavalsfeeste!

Het wordt een festijne, zeer schoone,

Daarvoor zorght Crispinus, onze patrone.

Sint Crispinus was de patroonheilige van de schoenmakers, die moest zorgen voor een fijn carnavalsfeest.

Advertentie in de Echo van het Zuiden van 2 februari 1951 voor carnaval in de Apollozaal bij café Smit.

Advertentie in de Echo van het Zuiden van 2 februari 1951 voor carnaval in de Apollozaal bij café Smit.

Beierse dansavonden in Apollozaal

Maar vanaf begin 1900 was er weinig reden tot feestvieren. Van 1914-1918 woedde de Eerste Wereldoorlog, waarbij de regering het dragen van maskers verbood, daarna volgden de Crisisjaren gevolgd door de Tweede Wereldoorlog van 1940 tot en met 1945. Daarna volgde ook nog de strijd om Nederlands-Indië en was Nederland bezig met de wederopbouw. Dus er waren weinig redenen aanwezig om eens flink uit je bol te gaan.

Pas in 1951 zien we de eerste advertentie in de regionale krant De Echo van het Zuiden staan over het vieren van carnaval in Kaatsheuvel. In de Apollozaal van café Smit in de Peperstraat worden op maandagavond 4 en 5 februari in het kader van carnaval 'Grote Beierse Dansavonden' georganiseerd met medewerking van het orkest 'S.K.O.'. S.K.O. stond voor Sophia’s Klein Orkest, een 9-koppige afvaardiging van Sophia’s Vereeniging uit Loon op Zand. De entree bedroeg f 1,50, tegenwoordig ongeveer € 0,70, en volgens de advertentie waren 'Beierse petjes, hoedjes verkrijgbaar aan de Zaal'. Deze hoofddeksels werden verzorgd door Au Bon Marché dat was gevestigd aan de Hoofdstraat in Kaatsheuvel. Apollo was, naast Euphonia en Sint Jan, één van de drie harmonieën in Kaatsheuvel. Zij bezaten net als Euphonia een eigen zaal waar ze naast het repeteren en het geven van concerten ook allerlei andere feesten konden organiseren. De zaal van harmonie Apollo was gesitueerd bij café Smit. Dus terecht kan worden gesteld dat de harmonieën uit die tijd aan de basis hebben gestaan van het huidige carnaval. Zij zorgden er samen met de plaatselijke kasteleins voor dat carnaval voortaan in Kaatsheuvel kon worden gevierd en dat men daarvoor niet meer naar 'de stad' hoefde. Er waren in die tijd nog geen carnavalsclubs, maar de kasteleins die de feesten met behulp van vrijwilligers organiseerden, stelden dat 'verkleed gaan' persé moest. Na een paar jaar van wennen zag men in de zalen voortaan nog uitsluitend carnavalsvierders die verkleed waren, voornamelijk in boerenkiel. Maar in 1953 kwam er weer een kink in de kabel. Gezien de Watersnoodramp die op 1 februari van dat jaar plaatsvond werd besloten om af te zien van alle feestelijkheden rondom carnaval. Maar in de jaren erna kon men met volle vaart verder om het carnaval in Kaatsheuvel op de kaart te zetten. Maar daarover in het volgende deel meer.

Krantenbericht van 6 februari 1953 dat carnaval geen doorgang kon vinden in verband met de Watersnoodramp.

Krantenbericht van 6 februari 1953 dat carnaval geen doorgang kon vinden in verband met de Watersnoodramp.